Home
Bourgondië
Griekenland/Homerus
schilderkunst in NL
cursussen Voorburg
cursussen Naaldwijk
locaties/inschrijven
Contactformulier
Tieleke Huijbers
Reizen en excursies




Jan van Eyck (1390-1440), ge­boren te Maaseik bij Maastricht, was zich overigens wel van zijn meesterschap als schilder bewust. Als hof­schilder in dienst van Jan van Holland en later, onmiddellijk na diens dood, bij Philips van Bour­gondië, stond hij zeer in aanzien. Hij was ook ijdel. Niet zuinig met zijn opschriften. Liet de wereld graag weten of hij het schil­derij maakte, of dat hij het be­gon en na langere tijd voltooide. Zijn publiek moest weten dat hij persoonlijk bij de modellen die hij schilderde aanwezig was. “Jan van Eyck was hier”, zette wel eens bij een schilderij.

Diezelfde Jan van Eyck die ten onrechte, door een veel mensen als de uitvinder van de olieverf schilderskunst wordt be­schouwd, kon overigens bij zijn scheppingen ook in lichter laaie staan. In gloeiende verrukking zelfs toen hij de opdracht kreeg een dubbelportret te maken van de koopman Arnolfi en zijn vrouw Giovanni Cenani. Hier haalde de meester even uit. Hij maakte er veel meer dan een dubbelportret van. Van Eyck bleek een durver. Een non-con­formist tegenover de middel­eeuwse traditie. Als eerste schil­derde hij ,,de herfst der middel­eeuwen” een echtpaar in een slaapkamer. Op het schilderij verwacht de vrouw een kind. En Van Eyck laat daarbij met zijn penseel niets aan het toeval over. Maar nog niemand had nog voor van Eyck een dergelijk onderwerp van nadrukkelijk in­tieme aard aangedurfd.

Het werk van Jan van Eyck doet in coloriet vaak aan werken van Rembrandt denken. Zij zijn don­ker zonder zwart te zijn. Bruin­achtig, warm, goud, van trans­parante, diep-donkere kleuren. Uit de diepte bloeien zij op, als van edele, edelsteen achtige ma­terie. Met de vreugde van de ontdekker zijn bepaalde stoffen, zoals gebarsten, gekloofd en ge­schilferd gesteente, pluimen en veren, haar en bont, knisperen­de zijde of de hoge, spiegelende glans der wapenrustingen on­der de bijzondere aandacht ge­vallen. Voor zijn tijd was het ge­nie Jan van Eyck een absolute totaal-schilder, want ook zijn portretten getuigden in de middeleeuwen van een nieuwe visie op de wereld. Professor dr. AH. Cornette schreef daar in het boekje ,,De portretten van Jan van Eyck” heel lyrisch over. ,,De portretten van Jan van Eyck zijn een der meest wonderbare verschijnse­len in de kunst der westerse landen. Het klinkt als een gemeenplaats, maar voor dergelijke phenomenen schieten de woorden te kort. Laat ons be­proeven te onderzoeken waarin’ dat  wonderbaarlijke  eigenlijk bestaat. Men denkt aan hun uitzonderlijke technische hoeda­nigheden, de van oudsher ge­roemde natuurgetrouwheid, die reeds de tijdgenoten imponeerde,  aan  de  precieze tekening, aan de verdeling van het licht, aan de zuiverheid van kleur. Achter het vizier van elk wezen heeft van Eyck de psychische realiteit betrapt. Hij was een onderzoeker van de menselijke fysionomie; terwijl hij minutieus, soms microscopisch penseelde, legde hij ook het dieper  wezen  van  zijn  model vast...”

Wie Jan van Eyck (of diens broer Hubert) zegt, zegt ook in een adem ,,De aanbidding van het Lam Gods”. In de Gentse Bavo, om precies te zijn (vroeger in) de aangrenzende Vijdkapel (nu verplaatst) is dit wereldberoemde veelluik of retabel als het allermooiste uit de vijftiende-eeuwse schilder­kunst te aanschouwen. Na al die eeuwen glanst het de bezoeker nog steeds toe. De retabel van het Lam werd geschilderd op eikenhout. Voor de grote panelen dienden verscheidene planken te worden samengevoegd, wat later soms aanleiding gaf tot be­schadiging van het schilder­werk. Het hout werd zorgvuldig glad geschuurd en herhaalde malen overdekt met een emul­sie van krijtpoeder in lijm, een laag die bij het drogen steenhard werd en de structuur van het hout volledig onzichtbaar maakte. Het oppervlak dat bij het schilderen als basis diende, kan men het best met glanzend wit ivoor vergelijken. Na vooraf­gaande tekening werd hierop met fijne penselen, de ene verf­laag na de andere afgezet. Deze verflagen bestonden uit drogen­de olie waarin pigmentkorrels waren opgelost in vrij geringe hoeveelheid.  Dergelijke  verf­lagen, glacis genaamd, verhar­den als email en blijven in hoge mate  transparant;  het  licht dringt erbinnen en weerkaatst op de witte achtergrond: het is alsof een zachte lichtbron achter en door het schilderij heen straalt. Elke reproductie blijft om die reden ver beneden de wer­kelijkheid: ze vormt alleen een aanspo­ring om het origineel in de Gent­se Bavo te gaan bezichtigen.

 

Natuurlijk kunnen we zelfs In het Gentse veelluik onvolmaaktheden ontdekken: het landschap in de weide van de aanbidding loopt te steil omhoog, en in de groepen zijn de figuren onna­tuurlijk dicht opeengedrongen. Muggenzifterij,’ want terwijl de lijnconstructies van het perspec­tief in van Eyck’s tijd nog niet volledig worden beheerst, loopt van Eyck wel geniaal vooruit op de schilders van eeuwen later. Door zijn eenheid van belich­ting, de uiterst zachte overgan­gen van licht naar schaduw, door de veranderende kleur­schakeringen van dichtbij tot in de verte, overtreffen zijn panelen alles wat vroeger gemaakt werd.

Het Lam-Godsretabel behoort tot de werken van Van Eyck waarop zijn naam voorkomt. De lijsten van de buitenpanelen dragen op de benedenrand een vierregelig vers waarin Hubert van Eyck de grootste aller schil­ders wordt genoemd. Hij is aan de zware opdracht begonnen en zijn broer Jan, ,,de tweede in de kunst” heeft het werk volein­digd. Dat versie heeft de nodige kunstkenners inmiddels al heel wat keren met elkaar op de vuist doen gaan. Hoe kon uit een ouderpaar twee geniale zoons worden geboren? Geniën zijn immers uiterst zeldzaam en ma­nifesteren zich altijd alleen. An­deren veronderstellen dat Jan van Eyck, toen hij zes jaar na de dood van zijn broer het werk voltooide, in eenvoud en piëteit gezegd zou hebben dat zijn broer hemzelf als kunstenaar overtrof. En dat zou best eens kunnen, want merkwaardig is het wel dat geen enkel werk van Jan van Eyck gedateerd is voor 1432, het jaar waarin, de Gentse retabel  nou  juist  beëindigd werd.

 

Het middenpaneel van het Gentse veelluik neemt vanwege van Eyck’s geniale visie op de natuur, zijn ico­nografische rijkdom en zijn buiten­gewone afmetingen een eerste­rangs plaats in onder de meester­werken van de Vlaamse primitieven en de wereldschilderkunst. Op het altaar staat het Lam ,,als geslacht­offerd”. Vier engelen houden de werktuigen der passie, acht knielen in aanbidding, twee zwaaien bran­dende wierookvaten. Vooraan kla­tert het water in twaalf stralen neer in het porfieren bekken van de fon­tein van het leven. Gestalten uit het oude verbond vullen de voorgrond links: de twaalf kleine profeten, met zware boeken in de hand, de vier grote profeten en een dicht op­eengedrongen en bontgekleurde groep van gelukzaligen ,,uit alle volkeren, naties en talen”. Rechts vooraan de apostelen, blootsvoets en in eenvoudige kledij, drie rijkge­tooide pausen, en verscheidene bis­schoppen. Twee martelaren zijn herkenbaar: Sint-Stefanus en Sint­ Lieven. In de verte naderen de belijders en de heilige vrouwen, allen met palmtakken in de hand. Alle kruiden in de weide, alle heesters staan in bloei.. tientallen planten uit onze gewesten samen met uit­heemse gewassen vormen het de­cor voor de stoeten die aantreden in het beloofde land, waar de bruiloft van het Lam wordt gevierd. Aan de verre. horizon, enigszins blauw ge­kleurd door de nevel rijzen vele to­rens op: ,,Ik zag het hemels Jeruza­lem dat op aarde was neergedaald”. In een stralende zon hangt de Geest boven het landschap.

Kunst en Reizen  | kunst-en-reizen@hotmail.com
Top